November Music: Bosch Requiem

Asko|Schönberg en Nederlands Kamerkoor o.l.v. Reinbert de Leeuw
Katrien Baerts, Helena Rasker, Pascal Bertin, Thomas Oliemans, Monica Germino

György Ligeti – Lux aeterna
Rob Zuidam – Bosch Requiem

Sint-Janskathedraal, Den Bosch, vrijdag 8 november 2013

Het requiem geldt als een zwaargewicht in de muzikale taxonomie. Niet alleen torst het genre nogal wat muziekhistorische bagage met zich mee, het raakt ook onvermijdelijk aan monumentale thema’s als dood, eindigheid, eeuwigheid en verlossing.

Zo beschouwd kan men het schrijven van een dodenmis met een gerust hart overlaten aan Rob Zuidam. Na devotionele stukken als Suster Bertken en Troparion heeft de componist een naam hoog te houden wanneer de muziektheatrale invulling van grote levensvragen in het geding is.

Na een bijna onhoorbare uitvoering van Ligeti’s Lux aeterna (het ‘from afar’ uit diens partituur werd wel erg letterlijk genomen) bleek Zuidams gloednieuwe Bosch Requiem een werk met onmiskenbare operateske trekken. Geen verassing gezien Zuidams status als muzikaal theaterdier. Brokstukken van de traditionele requiemtekst worden in zijn handen onvermijdelijk tot een abstract libretto, een tableau-matig narratief dat van het aardse tranendal opstijgt naar eeuwig licht en paradijselijke engelenkoren.

Gelijkerwijs groeien solisten uit tot personages. Zo is Zuidams lezing van het Libera me (bloedstollend vertolkt door sopraan Katrien Baerts) een psychologische diepteschets over verlammende doodsangst. Violiste Monica Germino kroop in de rol van doodsengel en gaf, toegerust met een scheurende elektrische viool, een demonische impressie van de Dag der Wrake.

Welbeschouwd zijn het de geijkte voorstellingen van hemel en hel die opdoemen in het Bosch Requiem. Beelden die zich in de loop der eeuwen zo hebben vastgezet in het collectief onderbewuste dat zij tot gemeenplaats zijn geworden. Toch verzandt Zuidam niet in pathetische clichés. Op cruciale momenten creëert hij afstand, neemt hij zijn toevlucht tot groteske karikaturen en scherpe contrasten.

Zo kan het zomaar gebeuren dat een gregoriaanse hymne op hemelse harpklanken en dito engelengezang (In paradisum) plotseling uitmondt in een lome reggae-beat. Of dat het gejoel waarmee Germino haar hellevuurtje stevig oppookt, uiteenspat op het granieten bazuingeschal van het Tuba mirum. Of dat de fijnmazige klankweefsels van het Agnus dei (prachtig gezongen door countertenor Pascal Bertin) worden weggeblazen door een massieve koorpassage, compleet met daverend slagwerk en een grondtonig mineurpathos, zoals in een duistere Hollywoodscore.

Dat Zuidam dergelijke eclectische bokkensprongen als geen andere beheerst, liet hij in de jaren negentig al horen met zijn opera Freeze. Net als toen verraden de abrupte stijlbreuken in het Bosch Requiem een zekere ironie. Zij het niet als lange neus, maar eerder als noodrem.

Als gewichtige thematiek immers iets slecht verdraagt dan is het wel een te gewichtige uitleg. Zuidam heeft vast goed gekeken naar Jeroen Bosch, wiens hellegebroed zo dikwijls wordt gekenmerkt door een macabere koddigheid.

Joep Christenhusz

Tags: ,

Reageer