November Music: Ragazze Kwartet & Lingling Yu

‘Coocking Dinner & preparing music is the same’ was een van de vrolijke en onweerlegbare wijsheden die tien dagen geleden in het Muziekgebouw aan ’t IJ uit de mond van de Chinese componist en beroemdheid Tan Dun rolden. Zijn muziek stond centraal in de Cellobiënnale en hij gaf een miniworkshop met het Ragazze Kwartet. Hij was wild enthousiast over de meiden en prees hun lef, kunde en ‘spicyness’.

Zijn Ghost Opera, in 1994 geschreven voor het Kronos Quartet maar nu gespeeld door de Ragazze, stond in November Music naast drie nieuwe korte stukken van Nederlandse componisten die zich, desgevraagd, door Tan Dun lieten inspireren.

De vrolijke opening met Rags for Ragazze: Rag one (zuchtmeisjes) van Maurice Horsthuis, pakt het publiek meteen in. Horsthuis – up tempo, tonaal maar met een twist – weet als geen ander voor strijkers te schrijven. Met humor wordt het klassiek westerse seufzer-motief door componist en bij tijd en wijle meezuchtend kwartet op de hak genomen. Ook Reza Namavar haalt in De Maasegel streken uit met de muziek. Er klinken nu eens onaf gelaten barokfrases, soms met een oosters tintje, dan weer bedient de cello zich van Chinese speeltechnieken, klinkt er een yell, of loeit er een sirene… Leuk, vaardig en lichtelijk absurd. Met In & Out van Mayke Nas volgt een goed getimed moment van concentratie. In het serene stuk wordt bij wijze van ‘ghost’ een schaduwkwartet van de strijkers opgevoerd. Eerst nauwelijks hoorbaar, maar steeds prominenter zingen de kwartetleden de schaduwpartij bij hun gestreken noten. Het strijkkwartet eindigt als koor.

Tan Dun wil met Ghost Opera sjamanistische rituelen, westers cultuurgoed en volksmuziek en –tradities in één stuk samenbrengen. Hij gebruikt daarvoor als kruiderij een Bachcitaat (Prelude in cis uit het eerste deel van het Wohltemperierte Klavier), een oud Chinees volksliedje, Chinese gongs en bellen, water, stenen en papier. Als medium fungeert zijn spicy strijkkwartet, dat wondermooi samenwerkt met pipa-virtuoos Lingling Yu. Magisch hart van de voorstelling zijn het Bachcitaat en het volksliedje Klein kooltje, die als een cultureel contrapunt precies op elkaar aansluiten. De interactie van de pipaspeelster en Ragazze is betoverend. De typisch Chinese speeltechnieken (‘glijden’, glissando) worden voorzichtig verkend door de westerse instrumenten. Op een volgend moment gaan ze met z’n vijven los, zingend, schreeuwend, en met strijkstokken, stenen en cimbalen als slagwerk. Toch vraag je je na de zoveelste semiclimax af of de kok niet net te veel ingrediënten in de pan heeft gegooid. Het is een schitterend werk maar de boog is te lang en blijft dus niet gespannen.

Dit doet niets af aan de geestdrift, liefde en lol waarmee de avond door de Ragazze gebracht wordt. Fenomenaal. Uitvoerderslef in geheel nieuwe vorm. Bravissime!

Gezien en geschreven door Marianne de Feijter; zaterdag 10 november in de Toonzaal.

Tags: , ,

Reageer