Jong werk

Door Floris Solleveld (zie ook zijn blog Ottokar’s Eenpersoonskoninkrijk)

Nieuw Ensemble / VocaalLAB

Vredenburg Leeuwenbergh / Nicolaikerk, Utrecht, 9 September

Abel Paúl licht zijn werk toe aan de hand van cartoons. Línea de Vacio heet zijn stuk, maar zoals de kronkelende lijnen laten zien, is het allerminst lineair; eerder zit het vol met lijnen die doodlopen, bassen die stokken, strijkstokken die schuren, fonkelende geluiden die uitdoven. De spelers van het Nieuw Ensemble zitten demonstratief met hun rug naar het publiek toe, zodat de kluwen aan het zicht onttrokken wordt. Het is tekenend voor zijn fragmentarische benadering: op zijn blog noemt hij coherentie een “oppervlakkig” aspect van muziek, dat eerder voor de luisteraar dan voor de componist bestaat.

Misschien is het geen kritiek om zijn stuk “richtingloos” te noemen. “Precies, dat is juist wat ik wilde!” Maar die paradox laat wel degelijk een probleem zien dat speelt bij leren componeren in het algemeen. Het is één ding om mooie geluiden en interessante patronen te maken, maar daarmee heb je nog geen stuk. En binnen de nieuwe muziek, waarin het vrij staat om alle denkbare complexe structuren of geen enkele toe te passen, is het risico wezenlijk dat het uiteindelijk daar op uitkomt: mooie geluiden en interessante patronen.

Emre Kaleli heeft zichzelf ingehouden. I hear the fragile body of mortal earth houdt het midden tussen Le Sacre du Printemps en een wiegeliedje, met een enkele melodielijn die steeds op een nieuwe manier over het ensemble verdeeld wordt. Het stuk is repetitief maar nooit saai, en de spanning tussen rauwe en zachte geluiden houdt de aandacht erbij zonder dat er sprake is van een spanningsboog met een climax.

Dat lijkt een verstandige beslissing. Resonant choirs van Luciano Leite Barbosa heeft een interessant uitgangspunt: het metalen slagwerk een soort van ‘kunstmatige resonantie’ te geven vanuit de rest van het ensemble. Het zou een cartoon van Sempé kunnen zijn: een heel ensemble dat met gespitste oren achter een jongetje met een gong aanloopt. Jammer genoeg komt dat pas aan het einde naar voren; het zou een krachtiger stuk zijn als dit dramatischer werd uitgewerkt.

Het concert van het Nieuw Ensemble is, onmiskenbaar, “jong werk”. Begrijp me goed, het is geen slecht werk: het muzikale materiaal deugt, alleen worden de mogelijkheden ervan nog niet ten volle benut. Yoshiaki Onishi klemt twee strijkers en een hobo tussen twee harpen in, en creëert daarmee in Départ dans… een steeds dichter wordende wolk van pizzicati, met af en toe een haal van de cello ertussen; maar laat die spanning dan weer verslappen, en nog een keer, meer uit besluiteloosheid dan als geste. Noriko Koide heeft in Kohaku als belangrijkste wapen een vervaarlijk grommende dwarsfluit; en pas als hij die troef speelt, komt het stuk tot leven.

Wat Raffaele Grimaldi en Jacob Adler (foto) met het VocaalLAB doen in de Nicolaïkerk, daarentegen, is imponerend: met een klein ensemble van vocalisten en slagwerk, en electronica die eerder ingetogen dan versterkend is, vullen ze de ruimte en betrekken het orgel bij het ensemble. Uit de liner notes van Grimaldi en de bio van Adler krijg je de indruk dat ze allebei mild geschift zijn, maar het zijn wel componisten die weten wat ze willen.

Tesla, Azione drammaturgica in tre scene gaat over de laatste uren van fysicus en uitvinder Nikola Tesla, waarin hij wordt bezocht door Edison (zijn rivaal), Logica, Spirito, en uiteindelijk “de gloedvolle en magmatische stem die vibreert in het creatieve denken”, Alternata, die gepersonificeerd wordt door de percussie. Het is maar goed dat het libretto onverstaanbaar is (of dat mijn Italiaans niet veel voorstelt), want als je dat buiten beschouwing laat blijft er een stemmentheater uit de diepte over dat een serieuze kandidaat is voor de Gaudeamusprijs. Het is als een klankkast vol stemmen die langs elkaar scheren, vervuld is van pathos, wanhoop, gefluister, schelle spreekstem, lamento, galmend in de kerk en meegezogen door de klanken van metaal en het orgel – en toch wordt het als muziek nergens bombastisch of overdreven. De vergelijking met Sergey Khismatov’s To the left dringt zich op: maar waar dat stuk is gedrenkt in ironie, een soort demonische commedia dell’arte, heerst in Tesla loden ernst.

Giuliano Bracci maakt een uiterst concreet soort muziek, als een blok geluid met kleine adertjes erin. Hij won de compositieopdracht voor het orgelwerk Tu vieni dal mare met een stuk op de vorige Muziekweek, Dalla pietra, dat daadwerkelijk ging over het afpellen van een blok steen tot standbeeld; Tu vieni dal mare roept de oeroude diepten van de zee op, maar behandelt het orgel ook concreet als wind die muziek wordt. Het is een stuk zonder ornamenten, zonder extreme effecten, maar op een ingetogen manier verrassend door niet de verwachte wendingen te nemen.

Waar Tesla een stuk is vol conflicten, is het laatste werk juist van een overweldigende harmonie, een raga vol microtonen waarin de stemmen, het orgel en de drones van de tanpura vervloeien. Kenmerkend voor die harmonie is de plek waar de tanpura-speler staat opgesteld: op het balkon van het orgel, alsof hij op de schouder van een reus zit. Jacob Adler geeft het stuk een lange Poolse titel mee, Na krześle wszechświata szkło w kształcie chrząszcza wykrzywia się, wat zoveel schijnt te betekenen als “op de zetel van het universum, een kevervormige glazen gesp”. Vraag me niet wat hij er mee bedoelt. Maar het sterkste van het stuk is wel dat het niet dreinerig wordt, niet in een mooi harmonisch klanklandschap blijft hangen, maar juist als een raga steeds meer dynamiek opbouwt, terwijl je de klanken onderscheiden blijft horen. Nu ik het herbeluister, denk ik nog steeds: hou niet op. Ga door.

http://www.muziekweek.nl

Tags:

Reageer